Uitleg van liturgische aspecten tijdens de eredienst

  vaste liturgische opbouw toelichtingen en bijzonderheden
  • Vooroefenen
  • Consistoriegebed en handdruk
  • Dienst van de voorbereiding
  • Lezingen
  • De preek
  • Gaven en gebeden
  • De zegen
  • Leesrooster
  • Maaltijd van de Heer
  • Liturgische kleuren.
  • Namen van de zondagen in de 40-dagentijd.
  • Aswoensdag
  • Beklag Gods
  • Allerheiligen/ Allerzielen/ laatste zondag kerkelijk jaar
  • Rondom de liturgie
    Zoals in elke christelijke gemeente zijn de kerkdiensten opgebouwd volgens bepaalde 'rituelen en gebruiken'. Dit geheel noemen we de liturgie (het programma). Deze liturgie heeft zijn oorsprong in een traditie waarin wij ons verbonden weten met de kerk door de jaren heen. Toch vormt de liturgie geen statisch geheel. Telkens zoeken we naar vernieuwingen die passen in deze traditie en aansluiten bij de hedendaagse beleving. Op deze pagina willen we uitleg geven over de oorsprong en achtergronden van onze liturgie, de manier waarop wij ermee omgaan en vormgeven.
    Consistoriegebed en handdruk
    Voordat de dienst begint spreekt de ouderling van dienst een zogenaamd consistoriegebed uit. Consistorie is een deftig woord voor kerkenraad , maar in dit geval kort voor consistoriekamer.
    Het consistoriegebed is dus het gebed dat in de kerkenraadskamer/ predikantenkamer gebeden wordt voordat de ambtsdragers de kerkzaal binnengaan. De inhoud is kort gezegd een vraag om een zegen over de dienst en over de voorganger en de andere medewerkenden in de dienst.
    In het Dienstboek vinden we verschillende teksten voor dit gebed (pg. 766 e.v.), één ervan luidt:
    “Wees bij ons allen, Heer onze God- adem uw Geest in ons.
    Spreek Gij uw Woord, opdat uw gemeente hoort.
    Laat ons geloof opgebouwd worden door uw liefde die Gij verkondigt door hart en mond en handen van uw dienaren. Verhoor ons gebed, dank zij Jezus Christus. Amen.”

    Het staat de ouderling van dienst vrij om eigen woorden te kiezen, maar het Dienstboek reikt verscheidene voorbeelden aan.
    De handdruk die de ouderling van dienst aan het begin en het einde van de dienst aan de voorganger geeft, drukt de verantwoordelijkheid van de kerkenraad uit. Het is de kerkenraad die de kerkdienst belegt; het is de voorganger, die op verzoek van de kerkenraad de dienst leidt. Mochten er dus dingen gebeuren, waarvan de kerkenraad meent dat ze niet in orde zijn, dan heeft deze de verantwoordelijkheid om daarover met de voorganger te spreken. Aan het begin wordt met de handdruk aangegeven dat de dienst aan de zorg van de voorganger wordt toevertrouwd, aan het eind
    van de dienst wordt de verantwoordelijkheid als het ware weer aan de kerkenraad teruggegeven.
    Moet de voorganger dus de mening van de kerkenraad uitdragen? Neen, niet voor niets is de predikant geen werknemer en de kerkenraad geen werkgever. De predikant krijgt principieel gezien zijn opdrachten alleen “van boven”, en de predikant wordt beroepen door een gemeente omdat ze zich door
    de grote Ander wil laten gezeggen en dus bij tijden ook laten tegenspreken. Aan de kerkenraad de (soms) lastige taak om met de predikant(en) het gesprek aan te gaan of zij/hij zich inderdaad alleen door de Ander laat sturen of dat zij/hij in dit geval vooral voor zichzelf spreekt.
    Lezingen
    In het bovenstaande stukje vertelde ik iets over het leesrooster dat wij gebruiken, de gemeenschappelijke afspraak van veel kerken om volgens een bepaald patroon de Schriften te lezen.
    Maar waarom lezen we, wat we lezen? Is het Oude Testament wel nodig als de preek toch over het Nieuwe Testament gaat, bijvoorbeeld? En waarom lezen we soms –naast het OT en het evangelie- ook nog een derde lezing, uit een van de nieuwtestamentische brieven?
    Daar valt in het bestek van dit stukje niet alles over te zeggen, maar een paar dingen zijn toch belangrijk. Het Oude Testament (door anderen wel het Eerste Testament genoemd, omdat “oud” vaak klinkt als “afgedaan”) lezen we, omdat het de bijbel van Jezus was, en Jezus gevormd is door die woorden. Hij heeft zijn God en ook zichzelf leren verstaan door de Thora en de Profeten. Wie probeert Jezus te begrijpen zonder het OT, zal nooit iets van Jezus kunnen verstaan, want daarin is Hij groot geworden, daarin lagen zijn wortels. En Hij heeft ons door zijn woorden en zijn leven en sterven betrokken op die woorden en op Gods liefdevolle omgang met zijn volk Israël. Dankzij Jezus mogen ook wij volk van God zijn, niet in plaats van de Joden, maar dankzij de Joden.
    Dat drukken we uit door vrijwel elke zondag en elk feest ook uit het OT te lezen, het verbindt ons met de geloofsgemeenschap van Israël vroeger e nu. Zij hebben ons de weg naar God gewezen en helpen ons daar nog altijd bij.

    De lezing uit het evangelie was vanouds de belangrijkste in de kerk, tot voor enkele jaren lieten we dat ook in de Wingerd zien door bij de evangelielezing te gaan staan. Daar hebben we bewust mee gebroken. Natuurlijk is het evangelie belangrijk en mag het in geen kerkdienst ontbreken, uiteindelijk wordt daarin verteld over het feit dat God ook ons betrekt op het bevrijdingsverhaal van Israël.
    Maar van een hogere waarde van het evangelie mogen we m.i. onder geen beding spreken. In het evangelie komt geen andere God en geen andere boodschap op ons af, dan in het Oude Testament.
    Je zou kunnen zeggen dat het evangelie een uitgebreide uitnodiging voor “ons heidenen” is om met Israël op weg te gaan.

    Dat we ook nogal eens uit de brieven lezen (voorafgaande aan de evangelielezing) is een oude gewoonte, die lijkt op die van de synagoge om naast de Thora op den duur ook min of meer standaard uit de profeten te gaan lezen. Thora als het eerste woord van God, Profeten als de onderstreping en uitleg van die woorden voor mensen, die zo gemakkelijk vergeten dat God hen heeft bevrijd.
    Zo zijn de nieuwtestamentische brieven een doorvertaling van het evangelie naar de praktijk van het leven van de gemeente en een reactie op foute denkbeelden en handelwijzen van hen die Jezus zeggen te willen volgen.

    Soms staan al die lezingen heel duidelijk met elkaar in verband, soms is dat verband afwezig of maar moeilijk te ontdekken. Er kunnen namelijk allerlei redenen zijn, waarom een bepaalde lezing ooit op een bepaalde zondag terechtkwam: tijd van het kerkelijk jaar (joods en christelijk); de loop van de seizoenen; liturgische en catechetische ontwikkelingen in de oude kerk, oude –al lang vergeten- vastendagen en noem maar op. Niet zelden blijken combinaties van lezingen verrassend en inspirerend te zijn. Soms moet je wel eens besluiten om maar “eigenwijs” te zijn of simpelweg een keuze te maken ter wille van de tijd. Maar duidelijk mag zijn dat lezen uit de Schriften nooit alleen maar een kwestie is van wat wij belangrijk of interessant vinden, we drukken er ook iets heel wezenlijks mee uit: dat we verbonden (willen) zijn met 3000 jaar Jodendom en 2000 jaar wereldwijde kerk. Dat we dus uiteindelijk in een traditie staan van 3 millennia zoeken en vragen naar de zin van ons bestaan, in het licht van de God van Israël.

    Gaven en gebeden (1)
    Dit onderdeel van de dienst vormt een antwoord op de verkondiging. We hebben de schriftlezingen en de uitleg gehoord, daarop gereageerd met onze liederen, maar nu komt het er eigenlijk op aan: voegen we ook de daad bij het woord? Hoe vertalen we al die grote woorden over hoe het anders kan en anders moet in deze wereld, door naar de concrete werkelijkheid? De eerste gelegenheid daarvoor bieden de collecten, die maar niet een irritant en overbodig onderdeel van de dienst zijn, maar een concretiseren van de grote woorden, het zichtbaar maken van ons geloof in Gods toekomst en van onze liefde voor God en onze medemensen.
    Als wij avondmaal vieren, is dat onmiddellijk na de gaven en gebeden. De oorsprong van de collecte is dan ook de inzameling van de gaven (in natura) die de rijkere gemeenteleden meebrachten, zodat de armere van een goede maaltijd konden genieten, en waarschijnlijk werd die (gewone) maaltijd afgesloten met de “maaltijd van de Heer”. Geen wonder dat Paulus tekeer gaat over het “onwaardig” eten en drinken, namelijk het zelf opeten en drinken van de meegebrachte gaven, voordat de armen zijn gearriveerd; de maaltijd van de Heer heeft dan geen betekenis meer. Misschien zou hij ons nu uitfoeteren omdat we (avondmaal of niet) vaak zo zuinig uit de bus komen met onze gaven en het dus allemaal wel erg bij woorden blijft. Een collecte en de daarbij behorende afkondiging is dus een volop liturgisch en onmisbaar onderdeel van de dienst, waarmee we aangeven hoe serieus we de woorden van God nemen en in hoeverre we werkelijk betrokken willen zijn op mensen in nood dichtbij en ver weg. Ergernis over een (iets) langere afkondiging geeft dan ook blijk van een niet begrijpen, waarmee we op dat moment bezig zijn, namelijk met aandacht voor medemensen, waartoe we zojuist zijn opgeroepen en waartoe we ons bijvoorbeeld in ons antwoordlied zojuist hebben verplicht. Er zijn natuurlijk ook andere middelen om dat te laten zien, maar de eerste gelegenheid is de collecte. Ik spreek nu even over de collecte die voor “een ander” is, met een diaconale inslag.
    Dat er ook een tweede collecte is voor de huishoudportemonnee van de kerk, is eigenlijk jammer, die heeft een duidelijk ander karakter. Het zou mooi zijn als deze afgeschaft kon worden, alleen zullen we dan in januari wat royaler moeten zijn met de toezegging van onze vaste bijdragen voor de begroting van de kerk. Ik zou haast zeggen: wie “adopteert” er zo’n collecte, zodat die niet meer gehouden hoeft te worden? Maar goed, we hebben hier te maken met iets wat niet van het ene ogenblik op het andere te veranderen is, omdat het consequenties heeft voor de financiering van het kerkenwerk.
    Voor de helderheid en het duidelijk maken van de principiële betekenis van de gaven, zou het echter fijn zijn, als dat ooit nog eens anders kon.

    De preek.
    Elk (voor)jaar worden predikanten door omliggende gemeenten benaderd voor het vervullen van “preekbeurten” op zondagen dat de eigen predikant vrij is. Ook in Krimpen hebben we jaren zending moeten bedrijven om duidelijk te maken dat een kerkdienst (veel) meer is dan een preekbeurt, een preek met enige liturgische omlijsting. In het protestantisme is vanouds de preek als bijzonder belangrijk gezien, zelfs als het hart van de kerkdienst. Ik herinner mij nog dat ik als kind op zondagmorgen oordeelkundig naar het liederenbord keek en aan de hand daarvan kon bepalen of het een beetje een preek werd of niet. Veel liederen betekende dat de preek niet zoveel voorstelde, en daar ging het toch om! Hoe ver zijn wij “afgedwaald”!
    Zeker is de preek van betekenis, namelijk om een bruggetje te slaan tussen die oude woorden en onze situatie. Elk oud geschrift heeft in feite uitleg nodig om erin te kunnen doordringen. Maar terwijl een preek wel kan vervallen in een kerkdienst, kan het lezen van de Schriften nooit ontbreken, zij vormen de echte bron, waaruit wij leven. Verkondiging, dat is in de eerste plaats het lezen uit het Oude en Nieuwe Testament en pas in tweede instantie de preek.
    En wie eigenlijk alleen maar voor de preek komt, heeft helaas niet begrepen dat er zoveel meer gebeurt in een dienst, waarin evenveel aan de orde is, als in de preek van de dominee (ontmoeting, gebeden, liederen, stilte, avondmaal, doop, zegen).
    In de oude kerk waren er twee brandpunten in de liturgie: de Schrift en de tafelgemeenschap.
    In de Reformatie is de tafelgemeenschap sterk op de achtergrond geraakt, terwijl je toch eigenlijk zou moeten zeggen dat daar minstens zo sterk wordt uitgedrukt, waar het om gaat in geloven.
    Dat alles neemt niet weg dat we meestal wel een preek hebben, waar op zich ook niets mis mee is,
    maar soms mogen de Schriften helemaal voor zichzelf spreken, zoals op Goede Vrijdag, en dan blijkt dat ze daar ook best toe in staat zijn. Ik wil maar zeggen: laat het niet alleen van de preek afhangen of een dienst geslaagd is, al zullen we oprecht ons best blijven doen om daarin iedere keer enkele verstandige dingen te zeggen.

    Vooroefenen
    Voor het ene gemeentelid is het een vreugde, voor de ander een kwelling om voor de dienst te “moeten” vooroefenen. Zoals er overigens voor menig gemeentelid al gauw te veel gezongen wordt omdat zij of (vaker) hij niet van zingen houdt. Ja, dan ben je inderdaad snel uitgepraat. Maar zingen hoort nu eenmaal bij de kerkdienst, niet sinds vandaag of gisteren, maar al zo’n 3000 jaar in de Joods-Christelijke traditie. “Zingen”, heeft Augustinus ooit eens gezegd, “is dubbelop bidden”. Blijkbaar heeft zingen iets, waardoor je boven jezelf wordt uitgetild, een ervaring die velen zonder twijfel hebben. Zingend kun je dingen zeggen, die anders te groot, te machtig zijn. Met zingen ga je even op je tenen staan om er toch bij te kunnen.
    Vooroefenen heeft ermee te maken dat geloven voortdurend in beweging is, dat we nooit klaar zijn met het zoeken naar woorden en naar beelden en vormen om iets uit te drukken van ons geloof, van ons verlangen, van onze ervaringen, van onze vragen. Er hoeft niets mis te zijn met een lied uit de 16e eeuw of met een lied dat iemand al 70 jaar kent. Maar ook in onze tijd worden teksten geschreven en muziek gecomponeerd die passen bij onze vragen en vreugden. Geloven is nooit af, het spreken over God nooit klaar, dus kunnen we eigenlijk ook niet stilstaan bij wat we al kennen. Ook iets nieuws leren is een stukje “godsdienstoefening” , training in geloven.
    En wie niet van zingen houdt? Die kan toch ook proberen om blij te zijn voor een ander, die daar wel van geniet? top top
    Dienst van de voorbereiding (1)
    Eigenlijk ging het in de bovenstaande stukjes al over een deel van de voorbereiding of de intrede, immers, vooroefenen, orgelspel, welkom en handdruk door de dienstdoende ouderling zijn allemaal elementen die volop bij de dienst horen en de inleiding vormen tot het verdere verloop van de dienst.
    Dus ook het orgelspel, waar in het verleden wel eens hele discussies over zijn gevoerd of de gemeente dan niet haar mond zou “moeten” houden. Eigenlijk wel, of beter gezegd: het zou niet verkeerd zijn.
    Het orgelspel is er niet zomaar, maar bedoeld om ruimte te geven aan innerlijke stilte, om je persoonlijk te kunnen voorbereiden op het begin van de dienst. Praten voor en na de dienst is goed en hoort erbij, maar het is ook goed om je te realiseren dat een mens niet zomaar vanuit het dagelijks gedoe (en gepraat) over kan schakelen naar de ontmoeting met God. Even leegmaken hoort daar ook bij, even zwijgen kan daarbij helpen. Overigens is het stil gebed ook bedoeld voor die voorbereiding en dat stil worden. Waarbij je je dus kunt afvragen of dat niet een beetje dubbelop is, dit gebed is dan ook niet in alle kerken een gebruik.
    Onze hulp en Groet. Eigenlijk is de volgorde vanouds andersom, eerst de groet, dan de woorden van bemoediging. Waarschijnlijk was de groet oorspronkelijk bedoeld om aan te geven dat de dienst ging beginnen, een wederzijds sjaloom (vrede zij u) klonk op. In de Nieuwtestamentische brieven zien we dat ook, het begint met een groet en de brief eindigt met een zegen. Met de groet werd de eredienst apart gezet van het gewone leven en de overgang gemarkeerd.
    “De vrede van de Heer is met u allen”
    “EN ZIJN GENADE IS MET U.” **
    Met deze woorden begroeten we elkaar. De voorganger geeft aan dat zij/hij in dienst wil staan van de God, met haar antwoord en tegengroet drukt de gemeente uit dat zij de voorganger zijn rol als voorganger toevertrouwt en haar/hem Gods zegen toebidt. Eigenlijk hoeft het begin van de dienst niet door een predikant geleid te worden, een ouderling zou dat ook kunnen doen. Dan hoort de groet eigenlijk pas gewisseld te worden aan het begin van de dienst van het Woord.
    De bemoediging:
    “Onze hulp in de Naam van de Heer”
    “DIE HEMEL EN AARDE GEMAAKT HEEFT”
    Deze tekst maakt in de middeleeuwen deel uit van het voorbereidend gebed van de priester en zijn assistenten, dat voor de mis werd uitgesproken.
    Later kwam het in de dienst zelf terecht.
    De betekenis van deze bemoediging –op de manier zoals wij die hanteren- is een gezamenlijk toewijden van deze dienst aan God of ook een uitspraak van vertrouwen dat God erbij zal zijn in deze dienst.<
    De tekst in hoofdletters spreekt de gehele gemeentetop top
    Dienst van de voorbereiding (2).
    Het begin van de dienst heet “intrede” of “dienst van de voorbereiding”. Welke uitdrukking je ook gebruikt, het geeft iets aan van een begin, een op gang komen. We komen samen om de Heer te ontmoeten, maar dat gaat niet zomaar. In het drempelgebed –ook wel gebed van toenadering genoemd- drukken we iets uit van het gevoel dat wij tegenover God voortdurend tekortschieten. Dat is in het verleden wel eens heel erg overdreven in een bijzonder uitgewerkte “dienst der verootmoediging”, waarin mensen het gevoel kregen nooit iets goeds te kunnen doen. Maar er zit ook iets heel wezenlijks in van het besef, dat in elke godsdienst aanwezig is, dat wij tegenover de Eeuwige per definitie in de schuld staan.
    Dat wordt op een –mijns inziens- heel bevrijdende manier uitgedrukt in een van de drempelgebeden in het Dienstboek, die we ook nogal eens gebruiken:
    “Niet om te oordelen zij Gij gekomen, God, maar om te zoeken wat verloren is, om te bevrijden wie in schuld en angst gevangen zijn, om ons te redden als ons hart ons aanklaagt.
    Neem ons zoals wij hier aanwezig zijn met heel dat zondige verleden van de wereld….”
    Enerzijds is er sprake van schuld, van tekort, anderzijds van God die met ons verder gaat.
    Dat moet eerst worden uitgesproken, voordat we de dienst kunnen voortzetten.
    En eigenlijk geldt dat ook voor het kyriegebed. Kyrie betekent “Heer” nl. van het “Heer, ontferm U” (kyrie eleison).
    We komen uit de wereld met haar nood en haar vragen, een schepping die op alle mogelijke manieren wordt geteisterd, en daar stappen we in zekere zin even uit om in de liturgie “spelenderwijs de hemel op aarde” te vieren, maar we maken wel deel uit van die wereld. En we zijn vertegenwoordigers van die wereld en van de hele schepping. We mogen en moeten die schepping onder Gods aandacht brengen. Tegen Abraham wordt gezegd: “Ik zal je zegenen en je zult tot een zegen zijn”.
    Dat idee zit ook achter dit onderdeel van de dienst. Met die achtergrond gaan we de Schriften lezen en uitleggen, tegen de achtergrond en deel uitmakend van de hele schepping.
    Liturgie is immers “godsdienstoefening”, oefenen in het omgaan met God en met ons leven en deze wereld, dit alles in relatie tot elkaar.
    De vorm van het kyriegebed is bij ons meestal: oproep tot gebed, gebedsintenties en het eigenlijke gebed in de vorm van het drievoudige: Heer, ontferm U; Christus, ontferm; Heer, ontferm U.
    Het (groot) gloria is met het kyriegebed verbonden geraakt. Het is de lofprijzing, waarin overigens ook de roep om ontferming nog een keer is opgenomen, die iets uitdrukt van ons vertrouwen dat God zich inderdaad ontfermt over deze wereld. Het is een lofprijzing die dermate uitbundig is, dat ze in de paarse tijden van het jaar (advent en 40 dagen) nooit wordt gezongen, de tonen zijn dan gedempt, passend bij de inkeer die bij deze tijden hoort. Op de grote feesten na deze perioden van inkeer kan het groot gloria des te uitbundiger gezongen worden.top
    Dienst van de voorbereiding (3).
    Tot voor kort rekenden we het volgende onderdeel van de dienst, het gebed van de (zon)dag tot de “dienst van het woord”, maar eigenlijk hoort het nog bij de voorbereiding; het is de afsluiting en samenvatting van de voorafgaande gebeden en liederen en is bedoeld om biddenderwijs over te gaan naar de ontmoeting met God in de verkondiging van de Schriften, het vieren van de Maaltijd en het leven in dienst van God.
    Het Dienstboek geeft voor elke zondag een gebed van de dag, bijvoorbeeld:
    “Gij, die ons de aarde hebt geschonken om haar in vrede te bewonen,
    sticht gemeenschap onder ons door Jezus, die de Levende in ons midden is.
    Laat de wereld zijn Geest ontvangen en ervaren hoezeer Gij ons tot leven en verzoening roept,
    wanneer wij Hem gedenken, in deze vreugdevolle tijd en heel ons leven.”
    In de toelichting zegt het Dienstboek dat er een aantal kenmerkende elementen is, die telkens in dit gebed zichtbaar worden: de aanroeping van God, een bede voor de hele geloofsgemeenschap, de afsluiting met een beroep op Jezus Christus en de acclamatie door de gemeente met Amen. Vaak zit er ook een gedenkend element in, met Pasen bijvoorbeeld “…dit is de dag die Gij gemaakt hebt, de dag waarop Gij uw Zoon verheerlijkt hebt.”, in het bovenstaande voorbeeld is dat de zin “Gij, die ons de aarde geschonken hebt om haar in vrede te bewonen..”.top top
    Gaven en gebeden (2)
    In de voorbeden laat de gemeente horen dat zij zich niet neerlegt bij de situatie in deze wereld: niet bij wat individuele leden overkomt, niet bij wat mensen ver weg aan ellende ervaren.
    Bidden op zich is niet zo eenvoudig, zeker niet in onze tijd, waarin zoveel vragen zijn over Gods bemoeienis met deze wereld. Als het goed is vragen wij niet om allerlei oplossingen uit de hemel, daar waar mensen zelf verantwoordelijk zijn. Bidden is dan ook niet alleen maar vragen, maar ook je gedachten op een rijtje zetten, maar dan in het licht van Gods bestaan, van Gods liefde, van Gods beloften. Het is niet per ongeluk dat gaven en gebeden (en de dienst van de Tafel) zo dicht bij elkaar staan, zij staan in het verlengde van elkaar en versterken elkaar. Het gaat in alledrie om werken aan deze wereld, waaraan zoveel tekort komt, maar wel voortdurend in het besef dat God ons veel geeft, maar dat ook aan anderen gunt. We worden gezegend om voor anderen tot een zegen te zijn.
    Ook de betrokkenheid van de diakenen aan de inzameling van de gaven, de voorbeden en de Tafelviering geeft aan dat het in alledrie gaat om dienst, om concretisering van ons geloven, waartoe we in de lezingen en de uitleg zijn opgeroepen.
    Verandert er iets aan de wereld door onze voorbeden? Misschien is een belangrijker vraag of er iets verandert aan onszelf, want dan wordt de wereld ook een beetje anders.
    Het heeft in feite te maken met de vraag of we iets durven verwachten van inspiratie, geloof, inzet etc. Opvallend is wel dat mensen die van ons horen dat we voor hen bidden –zowel dichtbij als ver weg- daar vaak wel degelijk iets wezenlijks in ervaren.top top
    De zegen.
    Je hoort gemeenteleden een enkele keer zeggen dat ze de rest van de dienst niet zo hebben meegemaakt, maar dat ze gelukkig de zegen aan het eind hebben meegekregen en dat ze daar (voor een keer) genoeg aan hebben. Dat klinkt misschien wat erg bescheiden, maar dat valt eigenlijk nog wel een beetje mee. In Israël was het een opdracht aan de priesters (Numeri 6:23vv) om aan het eind van de samenkomst de gemeente te zegenen, “Gods Naam op de gemeente te leggen”, vandaar dat dit ook gepaard gaat met handoplegging of een zegenend gebaar (uitgestrekte armen met de handpalmen naar beneden). Gods Naam op de gemeente leggen veronderstelt dat de HEER zelf zegenend in het midden van de gemeente aanwezig is. De Naam is in feite een uitdrukking voor God zelf. En zegenen betekent “goede woorden spreken”.
    De zegen van Numeri 6 “Moge de HEER u zegenen en behoeden! Moge de HEER de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn. Moge de HEER zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken.” is niet alleen maar een wens. “Moge de HEER u zegenen..” zou eigenlijk vertaald moeten worden met “de HEER heeft u gezegend” , “de HEER zegent u” en “de HEER zal u zegenen”.
    Met andere woorden: in de zegen komt alles aan de orde wat God voor een mens betekent in verleden, heden en toekomst. Zegenen en iemand “Gods Naam opleggen” is dus zoveel als de bemoediging en de verzekering meegeven: God zal ook voor jou/jullie de Aanwezige zijn.
    Dat is dus niet niks en dus best een goede samenvatting van het geheel van de diensttop top

     

    Bijzondere liturgische gebruiken

    Leesrooster
    In veel protestantse kerken is het nog altijd gewoonte dat de predikant preekt over een bijbelgedeelte dat hem of haar behaagt, zonder zich druk te maken over roosters en “al dat gedoe”. Soms kijken gemeenteleden ons hoopvol aan bij de vraag of wij het niet heel vervelend vinden dat wij volgens een leesrooster “moeten” werken. Neen, dus! In de synagoge wordt al duizenden jaren volgens een leesrooster gewerkt, in de rooms-katholieke kerk snapt men ook niet dat dat anders zou kunnen en veel protestantse kerken sluiten zich daar bij aan.
    Natuurlijk word je met een rooster nogal eens voor het blok gezet van een lezing, die je zelf niet zou hebben uitgezocht en waar je soms niet helemaal uit komt. Maar het grote voordeel is dat je niet meer aan het begin van de week hoeft te zitten bedenken, waar het nu weer over moet gaan. En de gemeente wordt een stuk beter behoed voor de stokpaardjes van de voorganger(s). Een leesrooster biedt een bepaalde ordening aan bij het lezen van in principe heel de Schrift in de loop van een (groot) aantal jaren. Het rooster dat wij gebruiken, is dat van “De eerste dag” , een uitgave van de Raad van Kerken in Nederland. Een rooster dat zich baseert op andere (deels zeer oude) roosters: dat van de synagoge, dat van de rooms-katholieke kerk, van de Lutherse kerk en van het Gemeenschappelijke Leesrooster van de Samen-op-weg kerken. Telkens wordt er een tijdlang gebruik gemaakt van een of meer sporen uit die andere roosters, met aanvullingen en verbeteringen om te zorgen dat inderdaad in de loop van de jaren alle bijbelboeken een keer aan de orde komen en om de lezingen zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de tijd van het (kerkelijk) jaar. Er wordt in feite al een paar duizend jaar over deze verbanden nagedacht en die zijn soms buitengewoon verassend en inspirerend.
    Bepaalde bijbelboeken komen veel sneller weer terug dan andere. De evangeliën wisselen elkaar af in A, B en C jaren. A voor Mattheus, B voor Markus, C voor Lukas en Johannes wordt gelezen op en rond de grote feesten. Maar ook boeken als Genesis en Exodus komen bijvoorbeeld veel vaker voor, vanwege de centrale betekenis in de synagoge, maar ook in de kerk.
    Een leesrooster betekent concentratie op een bepaald bijbelboek gedurende langere tijd, met mogelijkheden om daar dus wat meer van te gaan begrijpen. Een leesrooster geeft aanknopingspunten voor componisten en uitvoerende musici, want ze weten jaren van tevoren wat er aan komt en waar dus muziek voor nodig is, hetzelfde geldt voor kindernevendienst, bijbelkring etc.
    Tenslotte: het geeft een bijzonder gevoel, als je op vakantie of bezoek elders bent en daar naar de kerk gaat, en men leest hetzelfde als “thuis”. Over oecumene gesproken! Je merkt dat je bij elkaar hoort.
    Kortom, er zitten heus wel eens haakjes en oogjes aan zo’n leesrooster, maar er zitten vooral veel principiële en praktische voordelen aan

    Liturgische kleuren.
    Niemand weet precies waar de liturgische kleuren paars, wit, groen, rood en roze vandaan komen. De enige kleur die in de bijbel wordt genoemd is wit, de kleur van de reinheid, het licht en het feest. De andere kleuren zullen wel ontstaan zijn op grond van bepaalde associaties bij de tijd van het jaar of de inhoud van de diensten.
    Opvallend is dat de liturgische kleuren wereldwijd in de kerk dezelfde betekenis hebben, ook al weer zo’n opvallend stukje oecumene temidden van zoveel verscheidenheid. Al zijn er ook kerken die nog wat andere kleuren gebruiken, met name de rk kerk kent bijvoorbeeld het blauw op Mariafeesten en het geel of goud naast het wit als feestkleur

    In onze gemeente maken wij gebruik van de eerstgenoemde vijf kleuren. Ook daarin is enige variatie mogelijk, afhankelijk van de accenten die men zet

    .

    Wij gaan bijvoorbeeld door met het gebruiken van wit van Kerst tot en met twee zondagen na het feest van de verschijning, waar anderen op die zondag Epifanie (verschijning; op of tussen 2-8 januari) wit voor het laatst gebruiken. Wij rekenen de zondag van de Doop van de Heer en Kanazondag daar bijvoorbeeld weer bij.
    Wit is zoals gezegd de kleur van reinheid en feest, we gebruiken die met Kerst tot en met Epifanie (zie boven), Witte donderdag, Paasnacht tot en met zondag na Hemelvaart en op de zondag na Pinksteren.

    Paars is de kleur van de ingetogenheid, van boete en rouw, te gebruiken op drie van de vier adventszondagen en op vijf van de zes zondagen in de veertigdagen-tijd. Op de derde zondag van advent (gaudete-verblijdt u) en de vierde in de tijd voor Pasen (laetare-verheug u) wordt het paars wat verzacht door het licht van het komende feest en gebruiken we roze.
    Paars (en roze) drukken iets uit van ons besef dat we een proces van lering en bekering moeten doormaken, willen we werkelijk het feest kunnen beleven. De thematiek in de dienst is dan ook in sterke mate gericht op die bezinning. In de veertigdagentijd komt dat bijvoorbeeld uit in het lezen van het evangelie als een gaan aan de hand van de weg van Jezus, een nadenken over onze eigen keuzes, met uiteindelijk de bezinning op de overwinning door lijden en dood heen.

    In de tijd tussen (de twee zondagen na) Epifanie en de veertigdagen-tijd en in de tijd na zondag Trinitatis (zondag na Pinksteren) tot en met het einde van het liturgisch jaar is de kleur groen.
    Het is de kleur van het groen in het voorjaar en in de zomer, maar ook de kleur van hoop en van toekomst (“God zal op aarde komen met groene eeuwigheid” Gez. 288:1). Het zijn dan wel zondagen tussen de grote feesten in en in de feestloze tijd van de zomer en herfst, maar het onderweg zijn naar Gods toekomst gaat onverminderd door.

    Rood is de kleur van bloed en martelaarschap, maar ook de kleur van het vuur, een heenwijzing naar de Heilige Geest. Rood als kleur van het bloed gebruiken we eigenlijk niet (het zou kunnen op tweede Kerstdag (gedenkdag van het martelaarschap van Stefanus) op Goede Vrijdag en op een eventuele dienst op de Stille Zaterdag-morgen. Tweede Kerstdag vieren wij niet op die manier (als het op zondag valt), op Stille Zaterdag hebben we ’s morgens geen dienst en op Goede Vrijdag kiezen we voor de andere mogelijkheid zwart=geen kleur. Andere gelegenheden waarbij we rood gebruiken zijn: ambtsdragerbevestiging, huwelijk en bijvoorbeeld bij de opening van de nieuwe Wingerd.

    De betekenis van het gebruik van kleuren is deze: meteen al bij het binnenkomen wordt iets duidelijk van de kleur, de toonzetting, van deze dienst; als het goed is wordt dat teruggevonden in de lezingen, de liederen, de muziek, de gebeden, de verkondiging, kortom, in alle aspecten van de dienst op juist deze zondag

    Namen van de zondagen in de 40-dagentijd.
    Veel (maar lang niet alle) zondagen van het kerkelijk jaar hebben in de traditie een naam meegekregen, sommige zijn zelfs in het rijke bezit van meerdere namen.
    Veelal is deze naam ontleend aan een van de lezingen op deze zondag.
    Ter illustratie zal ik u de namen geven van de zondagen in de 40-dagentijd en ook vertellen waaraan deze namen zijn ontleend.

    De eerste zondag in de 40-dagentijd draagt als naam Invocavit (of invocabit), wat betekent “roept Hij mij aan …”, het is het eerste woord van Psalm 91:15 (in het Latijn), een psalm die eigenlijk al aangeeft waar het deze zondag over gaat: over de verzoeking van Jezus in de woestijn en Gods trouw aan wie Hem aanroepen.

    De tweede zondag heet Reminiscere (gedenk!), een woord uit psalm 25 –psalm voor deze zondag- “Gedenk uw barmhartigheid, Heer”.

    Ook op de derde zondag is Psalm 25 de aangever voor de naam van de zondag. Oculi (ogen), naar Psalm 25:15 “Mijn ogen zijn bestendig op de Heer”.

    Op zondag Laetare (verheug u) –vierde zondag- wordt het paars even wat lichter, iets van het licht van Pasen wordt al zichtbaar: de liturgische kleur is rose. Deze zondag is het midden van de voorbereidingstijd voor Pasen en de naam is ontleend aan Jesaja 66:10 “Verheug u met Jeruzalem, gij allen die haar liefhebt”.
    Het nieuwe Jeruzalem is in zicht, met Israël trekken we op naar Jeruzalem om het Paasfeest te vieren.

    Zondag Judica (Doe mij recht..) is de naam van de vijfde zondag, ontleend aan Psalm 43: “Doe mij recht, o God” en eigenlijk begint daarmee het gedenken van het lijden van Jezus, dat op Palmzondag en in de week voor Pasen verder zal worden overdacht.

    Zondag Palmarum (Palmzondag) heeft zijn naam gekregen doordat op die zondag al in zeer oude tijden in de dienst een intocht werd gehouden met palmtakken, als herinnering aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. Overigens hoort op deze zondag ook een deel van het lijdensevangelie gelezen te worden, zodat het “Hosanna” en “Kruisigt Hem” beide te horen zijn.

    Niet zomaar namen dus, die deze zondagen dragen, maar een korte samenvatting van waar het deze zondag ten diepste over gaat, ze laten meteen al zien wat de “kleur” van deze zondag is. Dat is ook de reden, dat we daar in de meeste gevallen ook niet aan voorbijgaan, omdat er een zeer doordachte catechetische lijn in zit. Zo hebben in de oude kerk ook de aanstaande christenen, die zich wilde laten dopen in de Paasnacht, stapje voor stapje geleerd om de weg van Jezus (ook hun eigen weg dus) te verstaan. 40-dagentijd is meer dan lijdenstijd, het is de tijd om aan de hand van Jezus Gods liefde te leren vertrouwen.

    Aswoensdag
    Begin van de 40-daagse vastentijd voor Pasen, waarbij de zondagen niet worden meegeteld; op zondag wordt namelijk niet gevast. Aswoensdag ontleent zijn naam aan het feit dat al in de 7e eeuw aan het begin van de vastentijd as werd gestrooid op het hoofd van de vastenden, dat wil zeggen van de mannen; vrouwen ontvingen een askruisje op het voorhoofd. As is al in de bijbel een teken van rouw en boetedoening. Later werd het strooien van as vervangen door het askruisje voor iedere gelovige. De as die wordt gebruikt is afkomstig van de palmtakken die in het vorige jaar zijn gebruikt bij Palmpasen en die worden verbrand. De as wordt vermengd met wijwater.
    In protestantse kerken komt dit gebruik niet zo heel veel voor, maar er is een goede kans dat Aswoensdag wel in uw agenda vermeld staat. Juist op aswoensdag beginnen we elk jaar met onze avondgebeden in de 40-dagentijd (overigens zonder askruisje).
    Allerheiligen/ Allerzielen/ laatste zondag kerkelijk jaar
    Op 1 november (of de dichtstbijzijnde zondag) wordt in bepaalde kerken Allerheiligen gevierd, de gedachtenis van allen die ons in geloof zijn voorgegaan, in sommige tradities is dat bij uitstek de dag om hen te gedenken die “heilig zijn verklaard”. Allerzielen op 2 november is in de RK kerk de dag waarop de in dat kerkelijk jaar overleden gelovigen in de gebeden worden herdacht, vanouds ook met de gedachte dat zij nog in het vagevuur en nog niet voor eeuwig bij de Heer zijn en de gebeden van de kerk hen daarbij behulpzaam kunnen zijn.
    Als wij op de laatste zondag van het liturgisch jaar stilstaan bij de dood van gemeenteleden en bekenden heeft dat wel verwantschap met deze vierdagen, maar toch ook weer een wat andere invulling. Het noemen van de namen wil zeggen dat we geloven dat God zelf onze naam (zoals bij de doop gezegd wordt) in Zijn handpalm geschreven heeft en dus ook hen niet zal vergeten, die gestorven zijn. (“vergeet niet hoe wij heten, naar U zijn wij genoemd” ZG IV,33). Het is een daad van respect, dit noemen van de naam, maar ook een daad van geloof. Als we heel eerlijk zijn, weten we niet waar onze doden zijn; alle woorden die we gebruiken: bij God, in de hemel, in het koninkrijk, als een zaad gezaaid voor de oogst, een vlinder in Gods tuin, zijn een aanduiding voor een werkelijkheid, die we niet kennen. We drukken ons geloof, onze hoop, onze verwachting uit dat het met de dood niet uit is. Dat vertrouwen willen we ook uitspreken in aanwezigheid van de nabestaanden, niet om hen te zeggen: zo zit het, maar meer: probeer eens in dat geloof te denken over hem of haar, die je bent kwijtgeraakt.
    Er zijn ook protestantse kerken die een dienst met deze inhoud vieren op of rond 2 november, wij houden nog maar even vast aan de laatste zondag van het liturgisch jaar.
    Het blijkt ieder jaar –ook voor niet (zo) kerkelijke nabestaanden – een dienst van betekenis te zijn
    Maaltijd van de Heer en avondmaalsbeleving (1)
    In de bijbel vinden we voor wat we in de Wingerd “de dienst van de tafel noemen” en wat in veel andere kerken “heilig avondmaal” heet, alleen de uitdrukking “maaltijd van de Heer”. Hoe die precies is gevierd in de oude kerk, weten we niet, maar waarschijnlijk was het zo dat de gemeente elke zondagavond bij elkaar kwam, daar gezamenlijk de (gewone) maaltijd gebruikte met voedsel dat door de rijkeren was meegebracht en dat men afsloot met “de maaltijd van de Heer”, het min of meer liturgisch delen van brood en wijn. Het was zeker geen zeldzaam gebeuren, maar iets wat wezenlijk bij de gemeente hoorde: de gemeenschap werd er in beleefd, de armen konden in ieder geval op zondag goed eten van de meegebrachte gaven en in dat geheel werd de opdracht van Jezus uitgevoerd “doe dit (iedere keer weer) tot mijn gedachtenis”. Wortels van deze maaltijd en viering liggen in de Joodse paasmaaltijd, die met veel vrolijkheid werd en wordt gehouden, waar ook allerlei liturgische elementen doorheen zijn geweven, ter gedachtenis van de uittocht uit Egypte.
    In de oude kerk werd deze maaltijd van de Heer als bijzonder belangrijk ervaren. Dat blijkt ook wel uit het feit dat Paulus (in I Corinthe 11) felle kritiek levert op de wijze waarop het in de gemeente van Corinthe toegaat. Het is de “beruchte” tekst, waardoor generaties voor ons met angst en beven het Heilig Avondmaal tegemoet gingen of juist ontliepen. Waar het om gaat, is niet dat de maaltijd van de Heer heiliger (“gevaarlijker”) is dan het “Woord”, maar dat in de concrete situatie van Corinthe de rijken hun eigen voedsel opeten, voordat de armen zijn gearriveerd. Het is alsof (in onze tijd) de gemeente de collecte die ze net bij elkaar heeft gebracht voor de diaconie na afloop van de dienst omzet in tompouces voor zichzelf. Dat maakt het delen van brood en wijn, dat daarop volgt, tot een even grote aanfluiting als avondmaal in onze tijd, waarbij gekleurde medemensen worden geweigerd.
    Voor christenen in het algemeen, maar zeker in de tijd van vervolgingen was het delen van brood en wijn iets van grote betekenis, het gold als “spijze onderweg naar de eeuwigheid”. Je was je leven in bepaalde tijden niet zeker, maar brood en wijn legden de verbinding met de opgestane Heer en het komende Rijk van God. Het gaf bemoediging voor onderwegtop top
    Maaltijd van de Heer (2)
    In het vorige stukje ging het heel sterk over de beleving en het (eigenlijk) onmisbare van de dienst van de tafel. Deze keer iets meer over de orde van de tafelviering.
    In het nieuwe Dienstboek begint de Maaltijd van de Heer met de voorbeden, de nodiging, de vredegroet en de inzameling van de gaven. Het is het onmiddellijk in de praktijk brengen van het gelezen en het verkondigde Woord. We zijn zojuist opgeroepen om de Heer te dienen in onze verhouding tot elkaar en in onze verantwoordelijkheid voor deze wereld, en dat gaan we nu dus doen. In onze gebeden vragen we Gods aandacht (en richten we onze eigen aandacht) op de nood dichtbij en ver weg; in de gaven laten we zien dat dat geen vrijblijvende gepraat was en in de tafelviering laten we in een andere vorm zien dat ons hart uitgaat naar de Heer en naar de mensen en de wereld, die Hij ons heeft toevertrouwd. Zo verstaan hebben gebeden, vredegroet, inzameling der gaven en delen van brood en wijn alles met elkaar te maken. Zeker als je je realiseert dat de maaltijd van de Heer in de oude kerk het centrale van de liturgie was, waarschijnlijk nog wel meer dan de preek. Het samen aan tafel gaan - waarbij de armen konden profiteren van de meegebrachte gaven van de rijken- liet feilloos zien wat geloven en gemeente-zijn betekent. Wie daar een loopje mee nam, had van het hele geloof geen spat begrepen.top top

    Maaltijd van de Heer (3)
    Het tafelgebed begint met een wederzijdse groet van voorganger en gemeente.
    “De vrede van de Heer is met u allen” wordt beantwoord met “En zijn genade is met u” of woorden van gelijke strekking. Op belangrijke momenten in de dienst “hoort” eigenlijk een wederzijdse groet, wij kennen alleen die aan het begin van de dienst, en dus die bij het begin van de avondmaalsviering. De beurtspraak wordt vervolgd met “Verheft uw harten” en “Wij zijn met ons hart bij de Heer”. Je hart verheffen is een mooie en zinvolle uitdrukking voor het gebed, waar eigenlijk de volgende regel ook op slaat “Laten wij danken de Heer onze God” en “Hij is het waard onze dank te ontvangen”. Al het bidden dat wij doen –in het Tafelgebed- is danken (eucharistie, van het Griekse woord voor dankzeggen).
    In het tafelgebed danken wij God voor alles wat Hij gedaan heeft en doet.
    Met deze beginwoorden roepen we elkaar op om tot de juiste gezindheid te komen, op de juiste toonhoogte, want zo gemakkelijk is het niet om te danken.
    Wat dan volgt is de prefatie (van het Latijnse praefari: in het openbaar en plechtig verkondigen). In deze prefatie wordt het motief van de dankzegging onder woorden gebracht, de reden waarom God onze dank waardig is.
    Deze prefatie bestaat eigenlijk uit drie delen: de inleiding “U komt onze dank toe, Heer onze God, overal en altijd door Jezus onze Heer” of woorden van gelijke strekking; het middenstuk verwoordt het eigenlijke motief, bijvoorbeeld “want Gij hebt ons weggerukt uit de macht van de duisternis….” of “in hem (Jezus Christus) hebt Gij alle dingen geschapen”. Dit motief kan op talloze manieren – passend bij de tijd van het jaar- worden verwoord. Schepping en verlossing of bijzondere heilsfeiten worden onder woorden gebracht en bijna altijd toegespitst op Jezus Christus, in wie Gods handelen het duidelijkst is zichtbaar geworden.
    Het eind van de prefatie is meestal ongeveer gelijk “daarom met alle engelen, machten en krachten, met allen die staan voor uw troon, verheffen ook wij onze stem en zingen U toe:..” waarna het Heilig (sanctus) gezongen wordttop top

    Maaltijd van de Heer (4)
    Na het eerste deel van het Tafelgebed zingen we het “Sanctus”, (het Heilig, heilig, heilig…) waarmee God geprezen wordt. De tekst van het Sanctus komt uit Jesaja 6; de profeet ziet en hoort in een visioen hoe de engelen –Gods hofhouding- elkaar toeroepen “Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is vol van zijn heerlijkheid”. Woorden van ontzag van hen die voortdurend in Gods nabijheid zijn, ook bedoeld als een oproep tot eerbied en lofprijzing aan de mensen op aarde. In Openbaring 4:8 horen we van Johannes dat hij een dergelijke lofprijzing verneemt.
    Deze woorden waren al in het latere jodendom onderdeel van de liturgie in de synagoge, en kwamen in de loop van de tijd ook in de oud-christelijke liturgie terecht.
    In later tijd werd aan deze lofprijzing nog toegevoegd het “Benedictus” (gezegend Hij die komt in de naam des Heren), woorden die volgens Mattheüs 21 aan Jezus worden toegezongen, samen met het Hosanna, als Hij zijn intocht in Jeruzalem houdt. Overigens worden deze woorden niet ter plekke verzonnen, maar op hun beurt zijn ze weer ontleend aan Psalm 118:25, 26, waar de pelgrims elkaar bij het naderen van Jeruzalem deze woorden toezingen.
    Door deze teksten op deze plek met elkaar te verbinden worden de glorie van God en de persoon van Jezus Christus met elkaar verbonden. Hij komt om ons Gods grootheid tastbaar dichtbij te brengen, wat we heel concreet ook in de Maaltijd mogen vieren.
    Gezegend Hij die komt….in de tegenwoordige tijd, want Hij is niet slechts gekomen in het verleden, maar komt ook nu in de tekenen van brood en wijn, en is tevens degene die komen zal , en naar wiens komst we uitzien.
    Het Hosanna betekent letterlijk “help toch…” maar is bij de intocht meer een uiting van enthousiasme en hulde aan het adres van de “Zoon van David” en aan zijn God die onze helper is.top top

    Beklag Gods.
    Een vast onderdeel in de liturgie van Goede Vrijdag is “het beklag Gods”, dat vanouds begint met de woorden “Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? Of waarin heb Ik u bedroefd? Antwoord Mij!” Het verwoordt de klacht van God over alles wat Hij voor zijn volk gedaan heeft, terwijl het Hem ontrouw is geweest en uiteindelijk zelfs zijn eigen Redder aan het kruis heeft gebracht. In het beklag zoals Maria de Groot dat verwoordde klinken de verwijten van God over de wijze waarop wij zijn omgegaan met de schepping, met de mensen in het algemeen en met de Joden in het bijzonder. De functie van deze klacht is het oproepen van het besef dat het lijden van Jezus niet alleen maar zijn lijden is, maar ook dat van talloze anderen, aan wie we zo gemakkelijk voorbijgaan.
    De laatste jaren is er een felle discussie over de klassieke vorm van het beklag Gods, zoals die in het Dienstboek is opgenomen, omdat daarin – voor de slechte verstaander- een exclusief verwijt aan Israël gehoord kan worden, “de moordenaars van Jezus”, zoals het helaas eeuwenlang in veel kerken is gezegd en nog wel wordt gezegd.
    De woorden “’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten…..ik ben ‘t, o Heer ” van de dichter Revius, getuigen van heel wat meer begrip, wat dat betreft.
    In onze diensten van witte donderdag tot en met Pasen laten we door het lezen van het verhaal van de uittocht zien dat wij ons verbonden (willen) weten met Israël, dat wij net zo goed onder de verwijten van God vallen, maar ook onder zijn liefde. Eigenlijk zou er onder ons geen misverstand mogen zijn over de betekenis van het klassieke Beklag Gods, maar Joden geven aan dat zij –na zoveel eeuwen veroordeling en vervolging door christenen- nog altijd door die woorden worden gekwetst.
    Reden genoeg om de nieuwe vorm te gebruiken.

    Wonderlijk dat juist de Joodse kunstenaar Chagal zo vaak op zijn schilderijen een gekruisigde laat zien: voor veel joden het symbool van haat en onderdrukking van christenen tegen de joden door de eeuwen heen
    Voor Chagal is de gekruisigde dan ook niet in de eerste plaats de Jezus van de christenen. Voor hem is de gekruisigde in de eerste plaats een jood, bedekt met een joodse gebedsmantel, de vertegenwoordiger van al die andere joden op het schilderij, die op de vlucht zijn, worden gedood en wier huizen en synagogen in brand worden gestoken.
    Zo is de gekruisigde uiteindelijk de vertegenwoordiger van ieder mens die lijdt onder de dingen die mensen elkaar telkens weer aandoen.
    top top